Journée de l’histoire contemporaine / Dag van de nieuwste geschiedenis 2016 – 29 avril (ULB) – Programme/Programma

Journée de l’histoire contemporaine / Dag van de nieuwste geschiedenis 2016 – PROGRAMME / PROGRAMMA

DAG VAN DE NIEUWSTE GESCHIEDENIS / JOURNEE DE L’HISTOIRE CONTEMPORAINE 2016

De Belgische historici in de internationale wandelgangen

Les historiens belges et l’internationalisation

 

PROGRAMMA/PROGRAMME

29-04-2016 – Université Libre de Bruxelles

 

8:30 Ontvangst/Accueil

9:00 Inleiding door/ introduction par Kenneth Bertrams (ULB)

9:15 Keynote lecture Daniel Laqua (Northumbria University)

10:00 Parallelsessies / Sessions parallèles I:

  1. Between national and transnational perspectives : (transgenerational) memories about the national past in an interdisciplinary and international perspective
  2. Internationale mobiliteit en de omgang met het nationale verleden
  3. Historicizing marginality and subalternity: International explorations and Belgian perspectives

11:20 Koffiepauze/Pause-café

11:40 Parallelsessies / Sessions parallèles II:

  1. Migratiegeschiedenis in en over België in internationaal perspectief
  2. De Belgische economie in tijden van imperialisme en globalisering (1870-1914)
  3. De Belgische geneeskunde in internationaal perspectief/ La médecine belge depuis une perspective internationale

13:00 Lunch

14:00 Parallelsessies / Sessions parallèles III

  1. Internationale congressen in de negentiende eeuw : een vergrootglas voor lokale, nationale en universele ambities en contrasten
  2. Locating Belgian historians on the European digital humanities map

15:20 Koffiepauze/Pause-café

 

15: 40 Slotdebat/Débat final

Moderator: Pieter Lagrou (ULB) Sprekers: Idesbald Goddeeris (KULeuven) Eric Vanhaute (UGent) Phillippe Raxhon (ULg) Margo De Koster (VUB) Geneviève Warland (UCL)

17:00 Einde/Fin

Parallelsessies / Sessions parallèles I:

  1. Collective memories and social identities:  interdisciplinary and transnational views on the national past

An important area of research in contemporary history in the last two and a half decades, situated on the crossroads of cultural history, history didactics and social psychology, concerns the examination of the construction and dissemination through popular historical culture as well as history education, of so-called master narratives about the national past by authorities, in order to form a national identity and pursue national cohesion. While initially the research focused on the production of master narratives by authorities, more recently, scholars active in this research field have raised the question about how especially young people actively ‘consume’ or appropriate those master narratives. What kind of historical narratives do they build, and to what extent do they lean on existing master narratives in this respect?

In this research, international and transnational dimensions clearly come to the fore, on different levels: (1) Researchers in this field lean on frameworks as developed in the Anglophone and Spanish research fields (such as the concept of narrative frameworks as developed by the American James Wertsch, and widely applied by Spaniard Mario Carretero). (2) The way in which youngsters appropriate master narratives is connected to specific national situations, which makes an international comparison very significant. Most countries in which this kind of research has been done, are characterized by the existence of a master narrative, rather manifestly present in both historical culture in society at large, and in history education. When looking, from this international perspective, to the Belgian situation, one can only conclude that Belgium, together with few other countries, constitutes an exception. For Belgium can be considered a nation-state in decline, characterized by an institutional process of regionalization and a tradition of weak government interference with memory politics and history education, in which no master narrative exists nor is implied, at the national level. This makes the examination of the Belgian case all the more interesting. (3) The way (young) people construct representations of (aspects of) the national past is influenced by both informal and formal ways of learning about that past, in a family context as well as in a formal educational setting. Especially in the latter, in many countries, and certainly in Belgium, a transnational turn took place. As a consequence, the national dimension of history education was embedded in a European and world history framework. Patriotic discourse was replaced by a discourse of attachment to democracy, human rights, tolerance and solidarity.

At the same time, this field of research is influenced by international tendencies among historians, characterized by a very interdisciplinary research approach, as often collaborations are established between historians, history education researchers and social psychologists, working on the interplay between narratives, identification processes and collective memory.

This session wants to present research about (young) people’s historical representations about (aspects of) the national, Belgian past, stemming from several disciplines, and embedded in a transnational framework. All four presentations of the session result from research conducted by historians, history didacticians or social psychologists, using internationally oriented theoretical and methodological frameworks originating from different disciplines. The tension between national and transnational perspectives both youngsters and elder people hold in their historical representations about (aspects of) the national, Belgian past, as well as the extent to which those representations are influenced on the one hand by very particular histories often existing within one’s family, and by formal history education characterized by a transnational turn on the other hand, are examined.

The first presenter is Aurélie Van der Haegen (UCL), who will talk about institutionalized and family representations of World War II through different generations. Pierre Bouchat (ULB) addresses not only national but also transnational perspectives on the social representations of the Great War. Laura De Guissmé (ULB) will present research about collective memory on the collaboration during the Second World War, and its influence on the relation between the two largest linguistic communities in Belgium. Karel Van Nieuwenhuyse (KUL) will present research about young adults in Flanders, and their historical narratives and national identities. Afterwards, Chantal Kesteloot (CEGESOMA) will discuss all four presented studies, in an interdisciplinary and transnational perspective, taking into account the particularity of the Belgian case.

  1. Internationale mobiliteit en de omgang met het nationale verleden

Internationale mobiliteit, de bereidheid om te werken in het buitenland, is in deze tijden van globalisering en internationalisering een prioriteit voor elke jonge onderzoeker die begint aan zijn of haar academische carrière. Deze sessie wil reflecteren over wat de gevolgen zijn van internationale mobiliteit op traditioneel nationale thema’s zoals het nationale verleden. Wat betekent het om een nationaal thema te onderzoeken in het buitenland of om een ander nationaal verleden te analyseren als buitenstaander? Werkt de kennismaking met andere nationale onderzoekstradities verhelderend of vertroebelend? De focus ligt enerzijds op de confrontatie tussen Angelsaksische en continentale onderzoekstradities, anderzijds op de invloed van buitenlandse ervaringen op de uitwerking van bepaalde methodologieën. Hoe leidt de ervaring met andere nationale instellingen (archieven, musea, etc.) bijvoorbeeld tot een herziening van het eigen onderzoek?

De keerzijde van internationale mobiliteit komt ook aan de orde om een genuanceerd beeld over de impact van internationalisering te geven. We zullen aankaarten dat internationale mobiliteit geen heilige graal is voor nationaal onderzoek door in te gaan op methodologische problemen en eigen ervaringen in verband met de moeilijkheden van een buitenlands verblijf. Is het mogelijk om een comparatief onderzoek naar verschillende nationale contexten te verrichten in een korte tijdsspanne? Biedt transnationaal onderzoek een meer haalbare kaart? Wat zijn de praktische moeilijkheden om een nationaal thema te behandelen in het buitenland? En leidt een overfixatie op een internationaal vergelijkend perspectief niet tot een onderwaardering van specifiek nationale contexten?

 

Deze vragen zullen in de sessie onderzocht en beantwoord worden door onderzoekers die buitenlandse onderzoekservaringen hebben, en die aspecten van het nationale verleden hebben onderzocht/onderzoeken. De onderzoekers zullen zich zowel vanuit hun eigen ervaringen, als vanuit een meer algemeen historiografisch perspectief bezinnen over de invloed van internationale mobiliteit op hun onderzoek. Kasper Swerts (University of Edinburgh) zal reflecteren over het belang van internationale mobiliteit voor zijn onderzoek in Schotland naar nationalistische historiografie in Vlaanderen en Quebec tijdens het interbellum. Jolien Gijbels (KU Leuven) zal ingaan op haar afgerond onderzoek in Amsterdam naar nationale identiteitsvorming bij Britse, Pruisische, Franse en Nederlandse reizigers op het negentiende-eeuwse slagveld van Waterloo. Camille Creyghton (Universiteit van Amsterdam) zal spreken over haar ervaringen als Nederlandse historica, maar opgeleid in België en Frankrijk, in haar onderzoek naar Franse nationale geschiedschrijving en het politieke gebruik daarvan tijdens de Derde Republiek (1870-1940). Maud Gonne (KU Leuven) zal reflecteren, vanuit een vertaalwetenschappelijk en literair standpunt, over de confrontatie tussen haar eigen onderzoek over de constructie van nationale “imaginaires” in België (1880-1920) en de Zuid-Afrikaanse universitaire context van Stellenbosch waar zij verbleven heeft. Tom Verschaffel (KU Leuven) zit de sessie voor.
 

 

  1. Historicizing Marginality and Subalternity: International Explorations and Belgian

Perspectives

Historical scholarship on late-modern and contemporary Belgium seems to have been little influenced by the theoretical developments of the international historiography about marginality and the making of “otherness”. Even the (more) recent global breakthrough of Subaltern Studies has received little attention among Belgium’s historians, as Belgian academic research has also been little touched by the postcolonial critique that has accompanied these debates.

Building on this observation, this panel aims at interrogating the potential applicability and challenges of internationally-forged notions of sulbalternity and marginality in the context of 19th and 20th century Belgium. While inviting to a critical assessment of the (limited) existing research on “otherness” in Belgian history, the panel intends to spur new discussion on marginal experiences and to innovate by connecting historical explorations of different subaltern/marginal categories (whether linked to gender, race, respectability, employment, sexuality, age, etc.). By doing so, it aims at triggering new perspectives on Belgian social history and on the construction of its logics of in/exclusion. Telling history “from the margins” and bringing the experiences of social, political or cultural outsiders into the center of historical analysis aims not only at adding new, “supplementary”, chapters to what we already know of Belgian social history but also at offering new interpretative frameworks about social evolutions and normative lines. In this sense, the presentations will also raise questions about possible Belgian specificities, notably with regards to welfare state reforms, policies of relief and regulation and, contingently, strategies of resistance/negotiation. Resulting of a (soon-to-be-published) journal’s special issue, the panel will comprise an introductory historiographical/methodological reflection, followed by a series of original case-studies which all address the ways in which international perspectives, concepts or methodologies related to “marginality” and/or “subalternity” can be usefully mobilized to study Belgian history, whether focusing on deserters or draft evaders living in exile (Marnix Beyen), schoolchildren obliged to assimilate (Josephine Hoegaerts) or young female delinquents kept in observation centres (Veerle Massin).

Speakers :

1) Amandine LAURO (ULB) & Magaly RODRIGUEZ-GARCIA (KU Leuven): Introduction:

Historicizing Marginality and Subalternity: International Explorations and Belgian Perspectives

2) Marnix BEYEN (UAntwerpen): Deserters, Draft Evaders and Deputies. Or how parliamentary

history can contribute to subaltern history and vice versa

3) Veerle MASSIN (UCL): ‘Measuring delinquency’: the observation and scientific assessment of

delinquent girls in 20th century Belgium

4) Josephine HOEGAERTS (HCAS – Helsinki Collegium for Advanced Studies): Recording the

Subaltern’s Speech: Children’s Voices in the Antwerp School Archives, ca.1850-1900

Organizers:

Amandine LAURO (ULB) amandine.lauro@ulb.ac.be

& Magaly RODRIGUEZ-GARCIA (KU Leuven) magaly.rodriguez@kuleuven.be

 

Parallelsessies / Sessions parallèles II:

 

  1. Migratiegeschiedenis in en over België in internationaal perspectief

In deze roundtable sessie geven enkele voorname migratiehistorici (oa. Frank Caestecker, Torsten Feys, Hilde Greefs, Idesbald Goddeeris, Anne Winter, ea.) een overzicht van de historiografie over de Belgische migratiegeschiedenis. Hoe nationaal is deze historiografie en bestaat er hierbinnen een tweedeling tussen Nederlandstalige en Franstalige onderzoekers? Hoe verhoudt deze zich tegenover de migratiegeschiedenis in andere landen en globaal? Welke plaats heeft de Belgische historiografie en België als onderzoekscasus in het internationaal debat? Hoe kan deze zich sterker profileren? Welke pistes zijn er voor verder onderzoek op basis van bestaande bronnenreeksen en ontwikkelingen binnen internationale migratiestudies? Onder andere het nieuwe IMMIBEL project wordt binnen dit debat als illustratief voorbeeld gekaderd. Deze en andere vragen komen tijdens de roundtable in interactie met het aanwezige publiek aan bod.

Deelnemers:

Frank Caestecker (UGent)

Hilde Greefs (UAntwerpen)

Idesbald Goddeeris (KU Leuven)

Anne Winter (VUB)

 

Nog te bevestigen:

Anne Morelli (ULB)

Ellen Debackere (UAntwerpen)

Denis Scuto (ULuxembourgeoise)

Jozefien Debock (UGent)

Nicolas van Puymbroeck (UAntwerpen)

 

Organisator:

Torsten Feys (VUB) Torsten.Feys@vub.ac.be
 

5. De Belgische economie in tijden van imperialisme en globalisering (ca. 1870-1914)

De huidige context van globalisering en economische integratie zet ons ertoe aan om op zoek te gaan naar gelijkaardige processen in de geschiedenis. De decennia voor de Eerste Wereldoorlog lenen zich daar goed voor. Tijdens de Belle Epoque genoot België internationaal aanzien en slaagde erin op het hoogste niveau mee te spelen met de grootmachten. In deze Age of Empire kon ook ons land zijn invloed wijd over de landsgrenzen heen uitbreiden. Dat lag niet alleen aan de drang naar prestige van Leopold II, maar ook aan de internationalisering van de Belgische economie. Het overschot aan Belgisch kapitaal vond gemakkelijk zijn weg naar nieuwe buitenlandse markten, wat tot gevolg had dat sommige economische sectoren steeds meer verweven geraakten met die van andere (niet-)Europese landen. De rol die Belgische ondernemers daarbij speelden, spreekt nog steeds tot de verbeelding.

Jammer genoeg stamt veel van onze kennis over deze periode uit onderzoek van voor 1960 en baadt nog in een koloniale sfeer. Sindsdien en zeker sinds de jaren negentig is er veel minder verschenen over de rol van België in het buitenland. Recente historiografische ontwikkelingen hebben onze kijk op de geschiedenis van de globale vervlechtingen echter ingrijpend veranderd. Helaas heeft deze hoofdzakelijk Angelsaksische historiografie de neiging de Belgische casus in internationale vergelijkingen buiten beschouwing te laten. Dus hoe kunnen de nieuwe inzichten van de imperial en global history en de economische geschiedenis worden toegepast op de Belgische context? En omgekeerd: Wat kunnen de huidige internationale debatten over economie, globalisering en imperialisme opsteken van de geschiedenis van een klein neutraal land als België, met een open economie en zonder groot koloniaal rijk? Nicolas Coupain (Solvay) analyseert het expansiemodel van Belgisch chemiebedrijf Solvay et Cie tot aan de Eerste Wereldoorlog. Frans Buelens (UAntwerpen) brengt nieuw cijfermateriaal over de zeer omvangrijke Belgische investeringen in Rusland voor 1917. Tobit Vandamme (UGent) presenteert hoe Edouard Empain (1852-1929) erin slaagde een internationale zakengroep uit te bouwen. Kenneth Bertrams (ULB) zit voor.

 

  1. De Belgische geneeskunde in internationaal perspectief

(version française en bas)

Why Belgium? Wanneer Belgische medisch historici ‒ maar zij zeker niet alleen ‒ publiceren in Angelsaksische tijdschriften of spreken op internationale congressen krijgen ze die vraag regelmatig voorgeschoteld. Anders geformuleerd: wat maakt de particulariteit uit van de Belgische geneeskunde in een internationaal kader? In een subdomein dat door buitenstaanders als erg gespecialiseerd wordt aanzien, is het formuleren van een overtuigend antwoord op die vraag van groot belang. Net door de verbanden tussen medische ontwikkelingen enerzijds en (inter)nationale politieke, culturele en socio-economische trends te expliciteren kunnen medisch historici hun onderzoek verdiepen en een breder academisch publiek bereiken. In deze tweetalige sessie stellen historici uit het veld van de medische geschiedenis hun onderzoek voor vanuit die optiek. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit de naar de strategieën die zij gebruiken om de Belgische casus aan een internationaal publiek voor te stellen. Welke aspecten van de nationale context beklemtonen zij? Welke kenmerken van de medische wereld beschouwen zij als typisch ‘Belgisch’? Joris Vandendriessche (KU Leuven) introduceert kort het thema van de sessie.

Veronique Deblon en Tinne Claes (KU Leuven) bespreken het imago van de 19de-eeuwse anatoom. De meest geciteerde (veelal Angelsaksische) historische literatuur over anatomie benadrukt wanpraktijken en protest. Tot afgrijzen van de nabestaanden werden lijken uit hun eeuwige rustplaats gedolven, waarna ze werden ontleed en ontmenselijkt in de dissectiezaal. Belgische bronnen vertellen een ander verhaal. De overdracht van lichamen aan artsen was aan het begin van de negentiende eeuw geregulariseerd, waardoor anatomen geen nood hadden aan clandestien opgegraven lichamen. Daarnaast probeerden artsen een breed publiek te overtuigen van het belang van anatomische kennis. In deze lezing proberen wij de historische eigenheid van de Belgische anatomie te verklaren door te focussen op interacties tussen artsen en een niet-medisch publiek.

Kaat Wils (KU Leuven) behandelt de geschiedenis van de medische omgang met hypnose in de late 19de eeuw. Wie die geschiedenis bestudeert, wordt geconfronteerd met een moeilijkheid die ook andere historici van het intellectuele leven bekend in de oren klinkt. Artsen waren intellectueel sterk op Frankrijk gericht en het leek soms (zeker vanuit het Franse perspectief) alsof zij eenvoudigweg deel uitmaakten van de Franse intellectuele ruimte. Tegelijkertijd werd het medische veld in België door nationale en lokale regels en culturen gestructureerd, en bleek bijvoorbeeld de levensbeschouwelijke configuratie van het intellectuele leven en de concrete positie van met name katholieke artsen heel verschillend van in Frankrijk. Dat nodigt uit tot vergelijkingen, en tot nuancering van het Franse model.

Julie De Ganck (ULB) pleit voor een internationale blik op de geschiedenis van de gynaecologie. Haar onderzoek naar praktijken van ovariotomie in de Brusselse ziekenhuizen vanaf de jaren 1870 toont aan dat Belgische artsen zich anders profileerden dan hun Amerikaanse collega’s. Hoewel hun ideeën niet fundamenteel verschilden van die van buitenlandse artsen, zagen zij zichzelf als ‘voorzichtiger’ en minder ‘radicaal’. Die vaststelling roept vragen op naar de beeldvorming over ‘Amerikaanse’ praktijken in de Belgische medische wereld, de manier waarop die beeldvorming werd gebruikt door gynaecologen om zich te positioneren binnen het Belgische medische beroep, en de mate waarin dergelijke verschillen ook met reële praktijken in het ziekenhuis overeenstemden.

Laura Di Spurio (ULB) vergelijkt de ontwikkeling van het Noord-Amerikaanse en Europese wetenschappelijke denken rond adolescentie. In de Verenigde Staten markeerde de pioniersstudie van de psycholoog Stanley Hall uit 1904 de start van een rijke, eclectische wetenschappelijke literatuur, die zich parallel ontwikkelde aan de opkomst van de teenager als culturele, sociale en economische figuur. In het naoorlogse Europa, werd adolescentie veeleer gezien als een ‘probleem’ waarbij de psycholoog zich opwierp als centrale actor in het zoeken naar oplossingen. In de ontwikkeling van het denken rond deze leeftijdklasse ontstond een debat onder Europese wetenschappers omtrent de bruikbaarheid van de Amerikaanse inzichten. Door de Franse, Belgische en Italiaanse contexten te vergelijken, is het mogelijk de receptie van Noord-Amerikaanse theorieën in Europa te onderzoeken, met aandacht voor hun afwijzing of adaptatie.

 

La médecine belge depuis une perspective internationale

Pourquoi la Belgique ? Cette question est fréquemment posée aux historiens belges de la médecine lorsque ceux-ci — mais il ne sont sûrement pas les seuls ‒ publient dans des journaux anglophones ou parlent dans des congrès internationaux. Autrement dit, qu’est-ce qui fait la particularité de la médecine belge dans un cadre international ? Nous formulons une réponse convaincante à cette question importante au sein d’un sous-domaine à l’apparence très spécialisée pour des non-initiés. Cependant, c’est justement en faisant le lien dans leurs explications entre les développements médicaux, d’une part, et la politique (inter)nationale, les tendances culturelles et socio-économiques, d’autre part, que les historiens de la médecine peuvent approfondir leur analyse et toucher un public académique plus large. C’est dans cette optique que les historiens issus du domaine de l’histoire de la médecine belge présentent leurs recherches au sein de cette session bilingue. Ceux-ci porteront plus particulièrement leur attention sur les stratégies utilisées pour présenter le « cas belge » à un public international. Quels sont les aspects du contexte national sur lesquels ils insistent ? Quelles caractéristiques du monde médical belge considèrent-ils comme typiquement « belge » ? Joris Vandendriessche (KU Leuven) introduit brièvement la thématique de cette session.

Veronique Deblon et Tinne Claes (KU Leuven) discutent de l’historiographie de l’anatomie au 19ème siècle. La littérature historique la plus couramment citée à propos de l’anatomie (anglo-saxonne majoritairement) met surtout en avant l’importance des exhumations et des protestations auxquelles ces pratiquent ont donné lieu. A la répugnance des parents proches, des cadavres étaient extraits de leur lieu de repos éternel, après quoi les corps étaient décomposés et déshumanisés dans la salle de dissection. Néanmoins, les sources belges racontent une toute autre histoire. En Belgique, le transfert des cadavres aux médecins a été régularisé dès le début du 19ème siècle. Les anatomistes n’ont donc nullement éprouvé le besoin d’exhumer clandestinement des corps. Par contre, les médecins se sont investis dans la communication auprès d’un large public pour le convaincre de l’importance des connaissances anatomiques. Dans cette communication, les deux historiennes essayent d’expliquer les particularités historiques de la pratique de l’anatomie en Belgique, en plaçant la focale sur les interactions entre les médecins et le public non médical.

Kaat Wils (KU Leuven) traite de l’histoire des rapports entre la médecine et l’hypnose à la fin du 19ème siècle. Qui étudie cette histoire est confronté avec une difficulté qui se pose fréquemment aux historiens de la vie intellectuelle en général. En effet, les médecins sont intellectuellement fortement tournés vers la France et il semble parfois (sûrement depuis la perspective française) que les médecins belges font tout simplement partie intégrante de l’espace intellectuel français. En même temps, le domaine médical belge est structuré par des règles nationales et internationales particulières. Par exemple, la vie intellectuelle est marquée par une structuration idéologique originale et les médecins catholiques y occupent une position différente que leurs homologues français. Cette constatation appelle la réalisation d’une comparaison et l’apport d’une nuance au modèle belge par rapport au modèle français.

Julie De Ganck (ULB) plaide pour l’adoption d’une perspective internationale sur l’histoire de la gynécologie. Ses recherches sur la pratique de l’ovariotomie dans les hôpitaux bruxellois depuis les années 1870 montre que les médecins belges se présentent volontiers comme différents de leurs collègues américains. Bien que leurs idées ne diffèrent pas de manière fondamentale de celles de leurs collègues de l’étranger, ils se perçoivent comme plus « prudents » et moins « radicaux ». Cette déclaration amène à envisager la formation d’une image des pratiques « américaines » dans le monde médical belge, la manière dont cette image est utilisée par les gynécologues pour se positionner au sein de la profession médicale belge, et la mesure dans laquelle une telle différence correspond, ou non, aux pratiques réelles constatées dans les hôpitaux.

Laura Di Spurio (ULB) compare les développements nord-américains et européens de la pensée scientifique autour du concept d’adolescence après la Seconde Guerre mondiale. Aux Etats-Unis, l’oeuvre pionnière du psychologue Stanley Hall de 1904 marque la naissance d’une littérature foisonnante et éclectique, qui se développe parallèlement à la figure culturelle, sociale et économique du teenager. Dans l’Europe d’après-guerre, l’adolescence est surtout perçue comme un problème dans la résolution duquel le psychologue se présente comme un acteur central. Dans le développement de la pensée autour de cette classe d’âge, un débat naît entre les scientifiques européens à propos de l’usage des savoirs nord-américains. En comparant les contextes français, belges et italiens, il est possible d’investiguer sur la réception des théories américaines en Europe, avec une attention particulière accordée à leur rejet et/ou à leur adaptation.

 

Parallelsessies / Sessions parallèles III:

  1. Internationale congressen in de negentiende eeuw: een vergrootglas voor lokale, nationale en universele ambities en contrastes

In de negentiende eeuw zochten artsen, statistici, geëngageerde liberalen, filantropen en ambtenaren naar oplossingen om tegengewicht te bieden aan de groeipijnen van de voortschrijdende urbanisering, globalisering en modernisering. Internationale congressen waren daarbij aantrekkelijke fora om lokale hervormingspraktijken en -ideeën te ontdekken en uit te wisselen. Tal van innovatieve ideeën en ervaringen werden er bediscussieerd met de openlijke ambitie om stadsplanning, hygiëne, (volks)onderwijs, gevangenisorganisatie, en vele andere facetten van het ontluikende sociale beleid te stimuleren.

In dit panel willen we nagaan hoe de studie van internationale congresverslagen kan bijdragen tot een beter begrip van de nationale geschiedenis. We vertrekken vanuit de hypothese dat de internationale congressen zowel scènes van maatschappelijke vernieuwing als van nationale tegenstellingen waren. De intellectuele ontmoetingen belichten een dynamiek die voortsproot uit een gedeelde bezorgdheid voor een steeds verder ontwrichtende samenleving, een angst die over de landsgrenzen heen werd gedeeld in sociaal geëngageerde milieus. Tegelijkertijd legden de internationale bijeenkomsten ook de verschillen bloot tussen de gepromote lokale modellen en verscherpten daarbij de contrasten tussen de diverse nationale sociale beleidsambities en realisaties. Propageerden de deelnemers aan internationale bijeenkomsten hun eigen (nationale) projecten en modellen als “enige en ideale” oplossingen? De aantrekkingskracht van de internationale bijeenkomsten bleek in praktijk voor de individuele hervormer vaak een evenwichtsoefening tussen universele aspiraties en nationale motieven en belangen. Hoe verhield de balans zich tussen profilering en informeren op deze momenten van kennisuitwisseling?

Door deze transnationale focus op de geschiedschrijving van sociale hervorming reflecteren we over de impact van externe dynamieken op de nationale geschiedenis. Daarbij worden zowel “vergeten” actoren geherwaardeerd als de alom vertrouwde protagonisten in een vernieuwend perspectief geplaatst. De uitdaging ligt in het afwegen in welke mate onze nationale kaders als toetssteen dienen voor de transnationale dynamiek of zelf onderhevig zijn aan vernieuwing en evaluatie.

Carmen Van Praet (UGent, Liberaal Archief) Inleiding sessie

Thomas D’haeninck (UGent, Universiteit Maastricht) startte in maart 2013 zijn doctoraal onderzoek naar de aantrekkingskracht van kunst en literatuur als hervormingsinstrumenten in een transnationaal netwerk van sociale hervorming (1848-1914). In welke mate voelden Belgische en Nederlandse hervormers zich aangetrokken om deel te nemen aan “expertise performances” tijdens internationale bijeenkomsten? Daarbij wordt onderzocht op welke domeinen kunst en literatuur naar voor werden geschoven als potentiele hefbomen voor maatschappelijke verbetering en vanuit een comparatieve aanpak gekeken naar het weerklinken van Belgische en Nederlandse stemmen in het debat. Het onderzoek wil daarbij ook de terugkoppeling maken naar het lokale niveau en nagaan waar internationale engagementen legitimiteit boden voor expertise in lokale en nationale ideeën en praktijken.

 

Amandine Thiry (UCL, UGent) prépare une thèse de doctorat revisitant l’histoire de la réforme pénitentiaire en Belgique (1830-1914). Reconnecter l’histoire de la pensée pénitentiaire occidentale à son implémentation dans les réformes en Belgique ainsi qu’aux pratiques locales de deux prisons belges constitue l’objectif ambitieux de sa recherche. D’une part, elle examine le rôle particulier joué par les réformateurs « belges » dans l’échange transnational des connaissances sur l’enfermement entre 1830 et 1914. Dans ce cadre, une importance particulière est accordée aux “figures de l’ombre” de la réforme pénitentiaire: les fonctionnaires du ministère belge de la Justice et le personnel pénitentiaire (directeurs de prison, médecins, aumôniers). D’autre part, des sources inédites des prisons de Gand et de Verviers lui permettent de confronter les écrits des réformateurs belges de la prison aux réalités de terrain.

Julie Louette (UCL) prépare une thèse de doctorat sur les statistiques judiciaires belges (1870-1914). En 1898, le Ministère de la Justice réorganise complètement sa statistique et publie deux séries: une statistique d’activité des cours et des tribunaux, telle qu’elle l’était déjà publiée depuis 1831 et une statistique criminelle, où l’on compte le nombre d’individus condamnés. Cette réforme nationale s’inscrit dans le cadre d’un contexte, plus large, de réformes internationales. Si la Belgique avait été pionnière dans la réflexion internationale sur la statistique avec Adolphe Quételet et ses Congrès entre 1853 et 1876, il semble que cette réforme de 1898 s’inspire à son tour des pratiques mises en place ailleurs. L’objectif sera donc ici de voir en quoi et comment les échanges intellectuels au sein des associations savantes de la fin du 19e siècle auront influencé la réforme belge.

 

  1. Locating Belgian historians on the European digital humanities map

In recent years, Belgian historians have increasingly embraced digital history[1]. From online collaborative environments for research into transnational intellectual collaborations in the area of social reform[2] or the political and social history of the Belgian justice system[3] to the development of tools to map the transnational roots of national and regional movements[4]. Digitisation of historical collections is a key priority in Belgium, and has therefore enabled historians to actively participate in international digital humanities activities. More than any other subfield or historical instrument, it seems that digital humanities is transnational in nature. It facilitates international research collaborations, online access to source material and the broad dissemination of historical knowledge.

This session investigates the impact of digital humanities on the internationalisation of the historical practice in Belgium. Does the digital turn transport Belgian historians across language and national borders? How does Belgian digital history fit in the broader European digital humanities landscape? And how has the use of digital approaches influenced the research agenda? Has it internationalized the research scope? Does digital history enhance the depth and quality of our research or is it merely a networking tool? And does the avalanche of the online digitized sources really reach an international audience?

We use three case-studies from across Belgium to demonstrate the different ways in which digital history can carry the discipline across borders: (1) through international research collaborations and transnational history, (2) through the digitisation of archives and (3) quantitative analysis in the field of contemporary history. The session fittingly concludes with a panel discussion on the promises and pitfalls of digital humanities for the internationalisation of the history field in Belgium.

This session is organised by DARIAH Belgium (DARIAH-BE)[5]. DARIAH, the Digital Research Infrastructure for the Arts and Humanities[6], a pan-European initiative that aims to enhance and support digitally-enabled research in the humanities and arts. Officially established in August 2014 with 15 Founding Members and recently joined by Poland and Portugal. Belgium is a Founding Member of DARIAH-EU.

DARIAH-BE brings together the universities from both Dutch and French-speaking Belgium along with several Belgian Federal Scientific Institutions. Key aims of DARIAH in Belgium are to coordinate digital humanities activities across Belgium and raise the visibility of digital humanities activities in Belgium, internationally.

Session Chair: Sally Chambers (DARIAH-BE)

Introduction: Digital history in practice: surveying the European context (Sally Chambers, Ghent Centre for Digital Humanities)

 

Case Studies:

  • Transnational research: DIANE, Digital Infrastructure for the Analysis of National movements in Europe (Nel de Mûelenaere, NISE – University of Antwerp)
  • Use of technology in the field of justice history (Aurore François and Françoise Muller, UCLouvain)
  • Open history and the sustainable digital publishing of archival catalogues of twentieth-century history archives (Veerle Vanden Daelen – Centre for Historical Research and Documentation on War and Contemporary Society, CEGESOMA) Panel discussion: locating Belgian historians on the European digital humanities map – Chaired by Seth van Hooland (ULB) with Sally Chambers (DARIAH-BE), Nel de Mûelenaere (Antwerp University/NISE), Aurore François (UCLouvain), Françoise Muller (UCLouvain) and Veerle Vanden Daelen (CEGESOMA).

[1] See Belgian contributions in the Special Issue of the BMGN – Low Countries Historical Review on Digital History, Volume 128 (4), 2013 edited by Gerben Zaagsma, http://www.bmgn-lchr.nl/515/volume/128/issue/4/

[2] TIC Collaborative, http://www.tic.ugent.be/

[3] Digithemis – Système numérique d’information historique sur la Justice, http://www.digithemis.be/index.php

[4] DIANE – Digital Infrastructure for the Analysis of National movements in Europe, http://nise.eu/database/

[5] DARIAH-BE, http://be.dariah.eu/

[6] DARIAH-EU, http://www.dariah.eu

Advertisements
%d bloggers like this: